Hagelslag
Ik stop margarine, witbrood en hagelslag in mijn tas. Voor mij het toppunt van de Nederlandse haute cuisine. Iedereen die in Nederland komt, moet dit toch geproefd hebben, redeneer ik terwijl ik van mijn hete thee een ferme slok wil nemen. De net iets te hete thee laat ik van schrik uit mijn handen vallen; het komt over mijn vinger terwijl het kopje stukvalt op de vloer. Ik vloek binnensmonds en houd even de koude kraan over het geblesseerde lichaamsdeel. Dan maar geen thee. De klok laat zien dat de werkdag zo gaat beginnen.
Ik duw mijn tas in de fietstas. Het regent een beetje. De dag ervoor had een leerling mij gevraagd hoe het kon dat Nederlanders op hun fiets sliepen. Ik had haar een beetje verbaasd aangekeken en gezegd dat dat maar zo leek. Maar nu zie ik het ook. De jongeren die richting school fietsen, hangen toch echt een beetje voorovergebogen over hun stuur heen. Het fietsen is hier met de paplepel ingegoten. Een tweede natuur. Een automatisme waarbij je best nog een beetje kunt nadoezelen.
Met één beweging duw ik de fiets in het rek en loop richting mijn lokaal, terwijl ik mijn geblesseerde vinger in mijn mond stop om te zoeken naar enige verlichting.
In de klas zitten de leerlingen al klaar in een kring. Ik heet hun goedemorgen en haal het brood, de hagelslag en de boter uit de tas. Ik smeer zonder iets te zeggen de boterhammen en strooi vanaf grote hoogte de korrels erop. De leerlingen kijken gebiologeerd toe. Dan snijd ik ze één voor één in vieren en loop langs de klas met de schaal met het oer-Hollandse ontbijt. Ondertussen vertel ik dat er vaak mee wordt ontbeten en dat het echt iets Nederlands is. Sommigen nemen een stukje. Anderen weigeren. Ook in andere culturen geldt het gezegde: ‘Wat de boer niet kent, dat eet hij niet.’
Dan sta ik weer op mijn plek. Ik voel mijn vinger en heb de behoefte om te vertellen over brandwonden en wat je moet doen als je je brandt. Immers, de gouden regel: ‘Eerst water, de rest komt later,’ besluit ik mijn verhaal.
Dan staat er een jongen op. Hij vraagt of hij iets mag laten zien. Dat hij weet wat verbranden is. Uiteraard knik ik ja. Hij gaat weer zitten, stroopt zijn broek op en wij kijken allemaal naar een kuit waar een gapend gat in zit.
“Oorlog,” zegt hij. “Brand. Pijn.”
Ik schuif geraakt heen en weer. De Nederlandse taal is bij deze klas nog lang niet een tweede moerstaal. Het non-verbale zegt echter genoeg. Sommigen kijken verbijsterd, maar de meesten van deze leerlingen knikken met de grootste herkenning in hun ogen. Ik kijk de kring rond. De jongen schuift zijn broek weer over zijn kuit. Ik zucht diep. Een stemmetje in mijn hoofd roept dat ik best wel een aanstelster ben met mijn zere vingertje. Het branden is als sneeuw voor de zon verdwenen.
De les heet spreekvaardigheid. De boterham met hagelslag en dat wat zij eten laten we maar even achterwege. Er zijn er meer die brandwonden hebben door zinloosheid. Vandaag hebben we het over letsel aan lichaamsdelen.
Mijn lunch zal bestaan uit……
Achter elk verhaal zit een ander verhaal
Ontdek ook mijn debuutroman
Een meeslepend verhaal over een verhuizing van het Drentse platteland naar Hoogeveen, de boerenopstanden van 1963, Kamp Westerbork en de bewonderenswaardige flexibiliteit van de mens.
Reactie plaatsen
Reacties