De diva in mij

Een column over panterprintjes op de MRI, dankbaarheid voor het zorgteam en de kracht van relativeren.

Het is weer eens tijd voor mijn halfjaarlijkse controle bij de neuroloog. De week ervoor hebben ze mij door de MRI gehaald en nu zitten mijn neuroloog en ik samen te kijken naar wat er in mijn brein te zien is.

‘Kijk! Daar zit er één, en daar, en daar.’

Iedere keer verwondert het me weer dat ik middels een MRI een kijkje kan nemen in mijn eigen brein, en dat je met zoveel vlekken in je hersenen toch bijna normaal kunt functioneren. Ik kijk nog eens goed en ga wat verzitten om de plaatjes eens van een andere kant te bekijken. Ik kan er niets aan doen, maar de associatie is toch echt gelegd en voor ik het weet flapt het eruit:

‘Goh, het lijkt wel een panterprintje.’

Mijn neuroloog kijkt me lachend aan en zegt: ‘Ja, je ziet het! De diva zit in je.’

Even hap ik naar adem, maar dan schuif ik bijna van mijn stoel van het lachen. Aan de buitenkant zou je dat toch echt niet zeggen. Maar het bewijs is er: de diva zit in mij.

Het is fijn om een neuroloog te hebben met wie je een band hebt kunnen opbouwen. In dit bezoekje voel ik ineens heel sterk de behoefte om hem mijn dankbaarheid te tonen. Dat we samen — en dan hij niet alleen, maar het héle team — in een tijd van grote onzekerheid over de agressieve vorm van mijn MS, de snelle progressie hebben weten te minimaliseren.

Het duizelt me even als ik aan die lange rij hulpverleners denk. Hulpverleners waarvan het woord 'Hulpverlener' eigenlijk altijd met een hoofdletter zou moeten worden geschreven. De neuroloog, de MS-verpleegkundige, de fysiotherapeut, de ergotherapeut, de medisch psycholoog, de medisch maatschappelijk werker, de verpleegkundigen, de revalidatiearts, de bedrijfsarts, de laboranten… pff, en dan heb ik het nog niet eens over de mensen die het mogelijk hebben gemaakt om inzicht te krijgen in het brein. Alle wetenschappers die het medicijn hebben ontwikkeld, de farmaceuten die hebben getest en getest, de bouwers van het ziekenhuis, de mensen die zorgen dat het daar reilt en zeilt. Dat je weet wanneer je een afspraak hebt, dat je in een schoon bed ligt en je natje en je droogje krijgt als je onverhoopt wordt opgenomen.

En dan weet ik zeker dat ik nog heel veel beroepen ben vergeten. Al die mensen die zorgen dat ik kwaliteit van leven heb. En dan ben ik slechts één van de velen die ze allemaal keer op keer met al hun kunnen proberen te helpen. Het is een overweldigend, dankbaar gevoel om dat te beseffen. Des te pijnlijker is het voor mij om te zien en te horen dat er mensen zijn die onze hulpverleners agressief bejegenen.

Ondertussen veeg ik de tranen uit mijn ogen van het lachen en luister ik naar mijn mogelijke toekomstscenario.

‘We weten niet wat het medicijn op lange termijn met je gaat doen. We houden je goed in de gaten. Loop dadelijk meteen maar even door naar het lab om bloed te prikken.’

Uit de grond van mijn hart zeg ik: ‘Dank je wel dat jullie er voor me zijn.’

En de diva in mij? Dat is een geheimpje. Glimlachend laat ik een naald in mijn arm steken en zeg nogmaals dank.

 

Ontdek ook mijn debuutroman

Naast columns verschijnt in oktober mijn eerste boek: De discipel in de zandbak. Een meeslepend verhaal over een verhuizing van het Drentse platteland naar Hoogeveen, de boerenopstanden van 1963, Kamp Westerbork en de bewonderenswaardige flexibiliteit van de mens.